Vorig jaar zag ik voor het eerst in jaren een kleine vuurvlinder in mijn achtertuin. Niet omdat ik iets speciaals had gedaan, maar omdat ik was gestopt met iets doen: de gazonmaaier elke week pakken. Dat ene hoekje naast de schuur, waar ik de klaver liet staan, bleek voldoende. Zo werkt het vaker dan je denkt.
Meer insecten en vogels naar je tuin trekken hoeft geen groot project te zijn. Het is een kwestie van een paar dingen anders aanpakken - en soms juist minder doen.
Waarom inheemse planten het verschil maken
De snelste manier om insecten te trekken, is kiezen voor planten die hier van nature groeien. Inheemse soorten zijn aangepast aan ons klimaat en - belangrijker - aan de insecten die hier thuishoren. Een vlinder herkent wilde marjolein (Origanum vulgare) als voedselbron. Een exotische siersalie niet, hoe mooi die er ook bij staat.
Planten die in vrijwel elke tuin werken:
- Wilde margriet (Leucanthemum vulgare) - bloeit van juni tot september, geliefd bij zweefvliegen en vlinders
- Knoopkruid (Centaurea jacea) - trekt hommels en dagvlinders, hoeft nauwelijks aandacht
- Wilde marjolein (Origanum vulgare) - ook als kruid bruikbaar, geeft maanden lang bloei
- Veldsalie (Salvia pratensis) - vroegbloeier, perfect voor bijen die al in april actief zijn
Lupine is een andere winnaar: kleurrijke bloemen, en bovendien stikstofbinder die je bodem verbetert. Lees meer over waarom lupine de trendplant van dit seizoen is en hoe je hem het best plant.
Minder maaien, meer leven
Een wekelijks gemaaid gazon is voor de meeste dieren een kale vlakte. Je hoeft het niet te laten verwilderen, maar een paar aanpassingen maken al een groot verschil. Begin met een wilde hoek - een strook van een meter breed langs de schutting of achter de schuur - en maai die hooguit twee keer per jaar. Brandnetel, gras en braam zijn daar ideaal: rupsen van dagvlinders leven erop, egels schuilen erin, zandbijen graven er hun nesten.
Een slimme aanpak is het gazon in twee helften maaien, met twee weken ertussen. Zo is er altijd de helft in bloei. Geen enkel dier hoeft een periode zonder voedsel te overbruggen. Milieu Centraal heeft een goed overzicht van welke aanpassingen per tuintype het meest effectief zijn.
Een vijver hoeft niet groot te zijn
Water trekt meer leven aan dan welke andere toevoeging ook. Een houten kuip van 60 centimeter, een halve wijnvat of zelfs een afgedankte badkuip voldoen prima. Zolang het water stilstaat en er wat oeverplanten in groeien - waterviolier, moerasvergeet-mij-niet, lisdodde - is het aantrekkelijk voor libellen, kikkers en vogels.
Zorg voor een zachte rand of een stuk hout dat gedeeltelijk in het water hangt, zodat kleine dieren er makkelijk uit kunnen klimmen. Libellen leggen hun eieren bij stilstaand water en zijn van juni tot augustus regelmatig te zien als de inrichting goed zit. Egels verdrinken makkelijk in glad aflopende vijvers, dus die zachte instap is geen luxe maar noodzaak.
Nestkast en insectenhotel ophangen
Een koolmees of pimpelmees trekt bij je in als er een geschikte nestkast hangt. Het gat moet 28 millimeter zijn - groter en de spreeuw neemt hem over. Hang de kast op het noorden of oosten, op 2,5 tot 3 meter hoogte, weg van directe zon. In een gemiddelde tuin passen twee of drie kasten gemakkelijk zonder dat de vogels elkaar in de weg zitten.
Voor solitaire bijen werkt een insectenhotel goed. De simpelste versie: een bundel bamboe stengels van 15 tot 20 centimeter lang, samengebonden en op een beschut, zonnig plekje gehangen. Kant-en-klare exemplaren uit de tuincentra zijn ook goed, mits ze holle stengels hebben. Zonder bloeiende planten in de buurt is een insectenhotel nutteloos - zorg eerst voor de planten, dan voor het hotel.
Stoppen met bestrijdingsmiddelen
Slakkenkorreltjes, insecticiden en onkruidverdelgers treffen zelden alleen het beoogde dier. Luizenkolonies zijn voedsel voor lieveheersbeestjes - als je de luizen chemisch aanpakt, houd je de lieveheersbeestjes weg, die vervolgens de volgende plaag niet aanpakken. Op inheemse planten is plaagdruk sowieso lager, omdat lokale predatoren die in toom houden zodra het systeem op gang is gekomen.
Het duurt een seizoen of twee voordat je ziet hoe het evenwicht zich vormt. Dat vraagt geduld, maar een tuin die zichzelf reguleert is makkelijker te onderhouden dan een tuin die elk jaar opnieuw chemische middelen nodig heeft.
Wat je terugkrijgt als de tuin leeft
Een tuin die insecten aantrekt, trekt ook vogels. Mezen, roodborstjes en merels voeden hun jongen bijna uitsluitend met rupsen en insecten - en als die er zijn, komen de vogels vanzelf. Een koolmees vangt in het broedseizoen tot 70 rupsen per dag om haar jongen te voeren. Dat zijn rupsen die anders je rozenstruiken zouden kaalvreten.
Het vergt een andere houding: minder controle, meer acceptatie van een losse rand of een verwilderd hoekje. Maar wie dat eenmaal heeft loslaten, merkt dat een tuin die leeft ook gewoon aantrekkelijker is om in te zitten. Meer te zien, meer te beleven - en ja, soms een kleine vuurvlinder die je dag maakt.
Wil je de buitenruimte ook qua sfeer aantrekkelijker maken? Lees hoe je een sfeervolle patio inricht als verlengstuk van je woonkamer, of ontdek hoe je je tuin slim van groen voorziet.